Ik had geen idee waar ik aan begon.
Natuurlijk had ik verhalen. Meer dan genoeg zelfs. Ruim dertig jaar aan ervaringen, gedachten, herinneringen en wat ik zelf altijd mijn reutelingen noem.
Maar verhalen hebben is nog iets heel anders dan een boek schrijven.
In het begin was er helemaal geen boek.
Ik schreef. Dat was het eigenlijk. Stukken over mijn ervaringen als militair, over PTSS, behandelingen, woede, schaamte, schuld, herstel en terugval. Soms kwam er ineens iets boven waarvan ik dacht: verdomme, dát moet ik opschrijven.
Het waren losse verhalen. Herinneringen. Gedachten. Reutelingen.
Tot ik op een gegeven moment naar al die stukken keek en dacht:
Volgens mij ben ik een boek aan het schrijven.
En toen begon het pas. 😄
Ik dacht in het begin nog redelijk naïef: als ik al die verhalen maar opschrijf, dan heb ik uiteindelijk een boek.
Nou, niet dus.
Want dan begint het schuiven. Wat hoort waar? Wat heb ik al drie keer verteld? Wat moet eruit? Wat ontbreekt er nog? Klopt wat ik schrijf eigenlijk wel? En als ik iets over PTSS, moral injury of herstel schrijf: waar baseer ik dat dan op?
Dus kwamen er onderzoeken bij. Rapporten. Bronnen. Voetnoten. Hoofdstukken werden verplaatst, herschreven en soms gewoon weer de prullenbak ingegooid.
En ondertussen bleef ik mezelf één vraag stellen:
Is dit nog wel mijn verhaal?
Want ik wil geen studieboek schrijven. Ik wil ook niet doen alsof ik therapeut of wetenschapper ben. Ik ben een veteraan met PTSS die probeert te beschrijven wat er in al die jaren met hem is gebeurd — en wat hem uiteindelijk heeft geholpen om weer wat meer te gaan leven.
Wat ik onderschat heb, is wat het schrijven met mijzelf doet.
Want ik schrijf niet over een verzonnen hoofdpersoon. Ik schrijf over mijn eigen leven. Over dingen die soms meer dan dertig jaar geleden zijn gebeurd, maar die blijkbaar nog steeds ergens in mij zitten.
Soms schrijf ik een stuk en denk ik: ja, dit klopt. Dit moet erin.
En soms lees ik het de volgende dag terug en denk ik: Jezus Ton…
Niet omdat het slecht geschreven is, maar omdat ik ineens zwart op wit zie wat er allemaal is gebeurd. Dingen die jarenlang min of meer normaal waren geworden, krijgen op papier ineens een ander gewicht.
Schrijven kan dan behoorlijk confronterend zijn.
Maar er gebeurt ook iets anders.
Door het op te schrijven ontstaat er soms afstand. Ik kan terugkijken naar de man die ik toen was, zonder dat ik die man opnieuw hoef te worden.
Misschien is dát wel een van de dingen die ik tijdens het schrijven van Naar de Kloten… langzaam begin te ontdekken.

